Historie van de Vereniging

In 1897 kwamen de jongens van de plaatselijke turnvereniging "Kracht en Vlugheid" op het idee en voerden het ook uit om een carnavalsvereniging op te richten. Deze mannen waren vaak genoeg met hun handelskarretjes, en zelfs te voet over de oostelijke landsgrens getrokken om alles van een georganiseerde carnavalsviering af te weten zoals die ook in naburige Rheinland plaatsvond. Tot de initiatiefnemers behoorden: Martin Peelman, Joepke Spijkers, Arthur Voncken en Ernest Voncken. De naam van de Bokkeriejesj is ontleend aan de evenzo beroemde en beruchte Bokkeriejesj benden die in deze contreien in de 18e en 19e eeuw hebben huisgehouden, uiteraard hebben de huidige Bokkeriejesj de naam alleen maar humoristisch benut en kunnen zeker niet geassocieerd worden. Wie uiteindelijk van de toenmalige oprichters de bedenker van die naam is geweest is helaas nooit achterhaald kunnen worden. Het wapen van de Bokkeriejesj symboliseert wel een vliegende geitebok met daarop een berijder (bokkerijder) met een brandende toorts, kaplaarzen en een cape.

 

In het begin van 1897 wilde het nog niet zo goed vlotten, zodat men uiteindelijk pas in 1898 begon te bestaan. Voorzitter Kohnen vormde uit zijn pittige vereniging een Raad van Elf. In de Raad van Elf zaten de volgende bestuursleden: Pierre Kohnen, wethouder Alfons v.d. Velden, Marteng Palmen, Mahn Heuts, Leonaad Ubachs, Nic Bemelmans en Géne v.d.Velden. "Der Niek" Bemelmans, was de eerste echte Opperbok, hij was namelijk verantwoordelijk voor de eerste carnavalsoptocht van Groeët Ghen Heij. Niek Bemelmans controleerde op originele, haast militaire, wijze de optocht als een veldheer, gezeten te paard. Hij had dit paard geleend van zijn vriend Marteng Palmen. Marteng Palmen maakte in diezelfde optocht deel uit van de Prinsegarde, die op de wagen van Prins Arthur I Voncken was gezeten. Voorop in de optocht liep Thies Kessels als een soort hofnar om alles vrolijk (lüstig) te maken. De garde bestond uit louter "toerners", gestoken in officieel tenue van de turnvereniging. Het comité maakte de optocht mee in een tweetal fraaie "koetsjes", Prins Arthur I – hij was aangekondigd als de eerste Prins carnaval in Nederland – was gezeten op een hoge wagen, zó hoog, dat hij er alleen op kon komen via een ladder die op een dakraam was gelegd. De prinsewagen, getrokken door een paard, was opgetuigd met dennen, rozepapier en vaantjes en hoog boven alles uit torende Prins Arthur I gezeten op een stoel. De eerste optocht was er meteen een van grote omvang. Een advertentie uit die dagen in de krant somde de volgende groepen op: De Stiekbol, Photografie, Amerikaanse Barbierwinkels, Oude en Nieuwe Tijd, Electriciteit en Telegrafie, De Duiventellers, Eine fremde Wirtschaft, Gluck Auf, Luftkonditors, Zigeuners en De Bollers, volgens de overlevering zou nog een wagen met brikkebekkesch zijn meegetrokken. Het schijnt in elk geval niet aan originele dekbeelden te hebben ontbroken. De schutterij en de plaatselijke muziekverenigingen zorgden voor enorm tromgeroffel en veel muziek, de stemming op de eerste dag was uitbundig, en zo is het altijd bij Hedsjer optochten gebleven, doordat het publiek nog steeds aan het algemeen schouwspel meedoet. Die stemming was er van meet af aan, alhoewel het bij de eerste optocht Siberisch sneeuwde. Besloten werd, en men heeft woord gehouden, dat de opbrengst van de collecte, gehouden tijdens de optocht en na de optocht volgende toneelavond, bestemd zou zijn voor de bouw van de nieuwe kerk, hetgeen bij Pastoor Schmits uiteraard zeer in de smaak viel. Niet alleen is vermeldenswaard dat de optochtroutes in het verleden knap lang waren, maar een bijzonderheid is ook dat men grotendeels de route van de sacramentsprocessie aanhield. Met uitzondering van de oorlogsjaren heeft er op Heerlerheide altijd een optocht getrokken op de carnavalsmaandag, er waren vaak hele mooie en leuke en natuurlijk ook wel eens minder geslaagde bij. In een ijskoude winter kende het Hedsjer carnaval een ongekend hoogtepunt, dat was in 1928, toen stond de feestviering onder het wakend oog van Prins Ernest I Voncken, zijn adjudant was Wiel Mertens. Prinsen met een grote carnavalsfaam uit die tijd waren Ernest Voncken 1928, Pierre Mertens 1929 en Nic Bemelmans 1930. Een van de bekendste sjlagers uit die tijd was: I Limburg likt e dörpke dat is Hèëlehei", tekst en muziek van H.Gielen. Andere sjlagermakers waren de dorpsdichters Joseph Spijkers, Dominicus Reinaarts en Nic Bemelmans.

 

Na de tweede wereldoorlog beleefden de Bokkeriejesj nog menig hoogtepunt. Het zomercarnaval van 1953 was een knap staaltje van organisatie. De Hedsjers hebben zich toen bijzonder goed geamuseerd en met hen duizenden van heinde en verre.

 

Verder mag toch ook wel met ere vermeld worden dat er bij de Bokkeriejesj een dansmarieche-afdeling bestond, die tot in de wijde omtrek vermaard was en zeer veel grote successen boekte op de toernooien in het binnen en buitenland. Ook hadden zij vroeger altijd een hofnar, in de huidige tijd is de hofnar vervangen door een Adjudant van de Prins. Een bijzonderheid is ook dat volgens de traditie de Bokkeriejesj-Prins op het moment van uitverkiezing vrijgezel dient te zijn.

 

Tot de kleurrijke tradities in het rijk van de Bokkeriejesj van Heerlerheide behoort ook de geheel eigen benaming van de leden van de Raad van Elf. Inmiddels hebben de Bokkeriejesj hun 64ste Prins uitgeroepen Prins Roy I (Dehing) in het jubileumjaar 2008 van 10 x 11.

 

Kaabinetssaamesjtelling Bokkeriejesjrieëk

1. Opperbok        
2. Rasbok            
3. Sjtambok
4. Geetebok
5. Zjwerfbok
6. Sjoapebok
7. Klauwbok
8. Sjteebok
9. Rambok
10. Lame bok
11. Resevebok